🏠News ContactLinksPlan-Regio + WeerAgenda'sFolders
Het kasteel David, genoemd Kasteel Eulenburg te Moresnet (V.V.V. Drie grenzen)

Entdecken ➔ Die Burgen

➔ De lijst   ➔ kastelenroute      Printervriendelijk


Het kasteel David

genoemd Kasteel Eulenburg te Moresnet.


Elk aandachtig wandelaar die in onze mooie streek komt zal zich zeker verbazen over het grote aantal kastelen in het vroegere hertogdom Limburg. Alleen al de gemeente Moresnet telt drie kastelen bewoond door adelijke families waaraan kroniekschrijvers hun aandacht hebben gewijd: het kasteel "Schymper", het kasteel Alensberg en het kasteel Bempt.

Naast die drie kastelen heeft Moresnet er nog een vierde, maar dat wordt door de kroniekschrijvers nog steeds stiefmoederlijk behandeld. De verklaring hiervoor is ongetwijfeld dat het kasteel pas gebouwd werd in 1874-1879 en dus maar ruim honderd jaar bestaat. Het gaat over het "kasteel David" dat oprijst op de helling van een heuvel even buiten het dorp, in de wijk Bambusch, op de plaats genaamd Ullenelsen. Het kasteel is genaamd naar zijn bouwer, Victor David (1842-1920), afkomstig van Gospinal, die het "Eulenburg" noemde.

"Eulenburg", mogelijk afgeleid van de plaatsbenaming Ullenelsen ("Ull" = het Duitse "Eule" = uil; "Elsen" = het Nederlandse "elzen").
Omdat wij ons in het bijzonder interesseren in de familie David is het interessant te weten wat achter de naam Gospinal schuil gaat.

zie ook:
Diverse Kronieken
Op kaarten en in traditionele lijsten van plaatsnamen zal men er vergeefs naar zoeken. Gospinal is slechts een plaatsaanduiding in de gemeente Jalhay, kanton Limbourg, arrondissement Verviers. Met deze naam werd ook het domein aangeduid dat ligt op de rand van de Hoge Venen en de Ardense bossen. Het was eigendom van de familie David, lakenfabrikanten afkomstig van Lambermont..

Het huis Gospinal is een bescheiden langbouw met een aangebouwde hoeve. Het lijkt helemaal niet op de woonst van een rijke familie.
De familie David verliet Gospinal in 1851 en vestigde zich in Limbourg-Dolhain.



Interessant om weten is dat het domein begin vorige eeuw werd aangekocht door koningin Marie-Henriette, de vrouw van koning Leopold II, voor ongeveer 250.000 frank en dat het opnieuw werd aangehecht bij het staatsbos.

De beslissing van Victor David om zich in Moresnet te vestigen berust niet op toeval, want alle gronden, inbegrepen de bossen, weiden en hoeven behoorden reeds aan zijn vader, Victor Joseph David. Men wist bovendien toen al dat in de bodem waardevolle steenlagen voorkwamen, en daar wilde Victor David gebruik van maken. Op 1130 m2 van een heuvelflank liet hij naar zijn wensen een kasteel bouwen, dat toen erg indrukwekkend was omdat het nog niet verborgen werd door weelderige plantengroei. Van dichtbij moet men zeker de overdadige versiering opmerken, ongepast in onze tijd. Een park van anderhalve hectare werd toegevoegd aan het domein, opzij van een terrein van zes hectare struikgewas dat evenwel in de loop van de tijd werd omgevormd tot een prachtig bos.

De waarnemer merkt onmiddellijk dat de bouwheer en architect - het ging over Victor David zelf - zijn fantasie vrije loop heeft gelaten.

Wat was hij van plan met dit groteske gebouw ? Waar ging hij zijn inspiratie zoeken ?

Het moet toegegeven worden dat er in de 19e eeuw een neiging bestond voor dergelijke afwijkende architecturen, maar hier is hij toch een beetje te ver gegaan.
Dat de volgende generaties dergelijke tegenstrijdigheden niet zouden toelaten, wat inmiddels duidelijk is, heeft Victor David blijkbaar niet voorzien.

Het huis dat hij voor zich liet bouwen op een toen nog bijna kale heuvel was niet meer of niet minder dan een middeleeuws kasteel in miniatuur, met neogotische kenmerken !

Het hoofdgebouw, gericht naar het noordoosten, omvat een gelijkvloers en twee verdiepingen. In het midden heeft dit gebouw een vierkante toren, gescheiden van de rest van het gebouw over bijna de hele diepte. Hij heeft drie verdiepingen en draagt een kroonlijst met kantelen steunend op raven. Het geheel wordt gedekt door een leistenen spits met vier steile vlakken.

Het hoofdgebouw is verbonden met drie gebouwdelen links en twee andere rechts. Aan weerskanten staan twee ronde torens met konisch dak op de kroonlijst.

De bovenverdieping van het linkerdeel heeft een valse rondgang. De verdieping van de linkertoren heeft getraliede ramen met een interessante architectuur. De stenen van het linteel, in hoekvorm en neogotische stijl, liggen in wisselverband, wat het kasteel mooi versiert.

De zijvleugel, met daarvoor een grasperktuin, is met het kasteel verbonden ter hoogte van de eerste verdieping. Op het gelijkvloers is een doorlaat met portaalgewelf tussen de tuin en de binnenkoer van het kasteel. De hoeken van het gebouw zijn voorzien van fantasietorens met schietgaten. Op het einde van de bijgebouwen is er een kleine vierkante toren met daarin een andere bezienswaardigheid uit vervlogen tijden: een "gemak" dat uitsteekt uit de eerste verdieping. Dergelijke inrichting voldeed helemaal aan zijn doelstelling in de Middeleeuwen toen de kastelen waren omgeven door slotgrachten, maar doet ons nu wel glimlachen.

Als we naar links gaan langs een muur van meerdere meter hoogte en voorzien van opeenvolgende gaten met een hoekvorm bovenaan, komen we voor een gebouw in de vorm van een vierkante toren, voorzien van twee boogramen gescheiden door een kolom, die onbewust doen denken aan de kruisweg in kloosters.

Maar het is pas in de binnenkoer van het kasteel dat de frivoliteit zijn hoogtepunt bereikt. De opeenstapeling van torentjes, erkers en nissen zou een prachtig decor vormen voor een Walt Disney film. Een beetje lager dan het kasteel zien we opnieuw een kantelen toren die enigszins een vooruitgeschoven verdedigingspost vormt.

Aan weerszijden van het hoofdgebouw, op zowat 50 meter afstand staan de renstal en de wagenstalling, geflankeerd door een lage toren die ook weer voorzien is van gewelfde ramen.

Men moet toegeven dat Victor David het geheel met veel zorg heeft uitgewerkt tot in de kleinste details. De portierswoning met een aparte gestreepte deur en de tuinierswoning zijn even fantasierijk als die van de heer des huizes, het geheel heeft een zekere charme.

Daarentegen heeft de heer des huizes het interieur van zijn woning versierd met houtbeschot in zuiverste Luikse Lodewijk XV stijl die bepaalde musea hem zouden benijden. Het is de moeite om uit te leggen hoe hij deze zeer waardevolle versieringen heeft verkregen.

Hij verbleef tamelijk dikwijls in Aken. Op een bepaalde dag kwam hij in de buurt van het stadhuis en stond hij plots voor een hoge stapel houtlambriseringen die men had afgebroken in het stadhuis en hier opgestapeld om in brand te steken ! Victor David zag onmiddellijk de waarde van dit meubilair en bood het stadsbestuur een luttele prijs voor het zogezegde afval; de prijs werd aanvaard.

Hij liet zijn vondst onmiddellijk met wagens overbrengen naar Moresnet. Het kostte hem uiteraard maanden werk om de lambriseringen aan te passen aan de kamers van zijn kasteel, maar het is hem gelukt en hij kon volop genieten van hun schoonheid.


Van dit juweeltje bestaat een sterk gelijkend tweede exemplaar dat waarschijnlijk door dezelfde kunstenaar is gerealiseerd. Het bevindt zich in Luik, Ferronstrée, in het hotel Ansembourg. Op 12 september 1907 ondernam de historische kring van Aken een uitstap naar kasteel Eulenburg, kasteel Schimper en Moresnet. In kasteel Eulenburg werden zij ontvangen door kasteelheer Victor David zelf. Vóór het bezoek nam dr. Savelsberg, voorzitter van de kring, kort het woord om de waarde en de geschiedenis uit te leggen van het houtsnijwerk dat men in het kasteel kon bewonderen: lambriseringen, deuren, schoorstenen, wapenschilden.

De krant "Die Fliegende Taube" van 24/09/1907 publiceerde een verslag van dat bezoek dat het had overgenomen uit de krant "Echo der Gegenwart". Daarin staat:

""Toen men in 1728 het stadshuis van Aken restaureerde in het vooruitzicht van een belangrijk Europees congres besloot men om de muren in de zalen van de verdieping mooi te bekleden met een rijk decor overeenkomstig aan de hoge waardigheid van het gebouw. In die tijd was de grote keizerzaal onderverdeeld in een reeks zalen die naar het noorden gericht waren en een reeks zalen naar het zuiden gericht, gescheiden door een muur die langs de pilaren liep. Aan de noordgevel, die uitziet op de markt, is er vanaf het oosten, de Granus toren, de raadszaal met drie ramen en de raadskapel in de kleine aanbouw naar het oosten zoals die nog steeds bestaat. Dan is er in het midden de feestzaal met negen ramen en tenslotte, dichtbij de markttoren een andere zaal met drie ramen. In de zalen langs de zuidkant, dus aan het Katschhof, had men onder andere de bibliotheek en de stadsarchieven geplaatst, in zoverre deze laatste niet stonden in een van de zalen op gelijke hoogte in de markttoren. Het is in deze zalen, ontstaan door onderverdeling van de keizerzaal, dat de rijkelijk versierde lambriseringramen en -panelen werden geplaatst omstreeks 1730, alsook de wapenschilden van de burgemeesters die de stad hadden bestuurd en van andere hoge stadsfunctionarissen, zoals men die nu hier (d.w.z. in kasteel Eulenburg) ziet. Helaas heeft men in de stadsarchieven geen facturen teruggevonden over de herinrichting van het stadhuis waaruit men meer precieze gegevens had kunnen halen. De archieven bevatten slechts een kladnota waarin de Luikse ebenist (maker van versierde meubelen) Jacques de Reux wordt vernoemd voor een betaling van 200 keizerlijke thalers … In een bouwfiche van de afrekening van 4 tot 18 december 1728 wordt Jacques de Reux driemaal vernoemd, waarvan eenmaal met zeven werklieden (gezellen) voor betalingen voor levering van hout en handwerk. Daarnaast zijn er de volgende zes afrekeningen: 21 oktober 1730 aan ebenist Jacques de Reux met vijf werklieden 144 gulden en vijf mark en aan Lersch senior voor de alcohol geleverd aan de Reux 90 gulden; op 27 oktober 1730 aan Jacques de Reux en vijf werklieden, drinkgeld inbegrepen, 120 gulden, 3 mark en 2 groschen; op 20 oktober 1731 krijgt hij uit de stadskas voor hemzelf en vijf gezellen en als drinkgeld 147 gulden en 2 mark; op 27 oktober precies dezelfde som; op 29 november 1732 voor Jacques de Reux, ebenist, voor twee weken, 123 gulden; en op 6 december 1732 voor hemzelf en vijf 3 werklieden 84 gulden. In april 1733, wordt hij opnieuw in bewijsstukken met gelijksoortige betalingen aangehaald.

Men kan er uit afleiden dat ebenist de Reux minstens zes jaar gewerkt heeft in het stadhuis. In een van de prachtige grote houtsnijwerken die in de kleine zaal van het kasteel staan heeft de kunstenaar zichzelf vereeuwigd met een inscriptie die in onze dagen nogal verwaand lijkt: Maître Jacques de Reux Menuiserie (1).

In de vermeldingen van de jaren 1728 tot 1733 hierboven komen ook de namen voor van de burgemeesters en hoge functionarissen die verschijnen op de diep uitgesneden wapenschilden. Van 1731 tot 1755 was Alexander Theodor Oliva dertien maal burgemeester der schepenen en Jakob Niklas dertien maal burgemeester van de inwoners dus ook in 1731 (meer precies van mei 1731 tot mei 1732 ) en in 1733. De wapenschilden van deze twee burgemeesters die nu voorkomen boven enkele deuren in het kasteel dragen ook hun handtekening op afgerolde spandoeken. Bij de andere schilden van hoge functionarissen die zich in de eetzaal van het kasteel bevinden is er een gekend als schild van Johann Baptist von Savelsberg, die hoofdontvanger was in 1728, voorman in 1729 en werkmeester in 1733. Men ziet ook twee opvliegende vogels links van de staaf en rechts een hoop zand. Helaas is de handtekening vernield, evenzeer het vierde blazoen waarop drie bloemen worden voorgesteld aan weerszijden van de graat. Het betreft waarschijnlijk het blazoen van Leonard Brammertz doe bouwmeester was van de hertenjagers in 1744.

Het is niet bekend wanneer deze prachtige houtsnijwerken werden verwijderd van de muren en pilaren in de zalen van het stadhuis, maar al wat men weet is dat het moet gebeurd zin vóór de grote zaal versierd werd met de beroemde fresco's Alfred Rethel et Johann Kehren (2).

Het zien van deze houtsnijwerken wekte duidelijk grote interesse bij de leden van de historische kring van Aken die het aantal en de variëteit van de snijwerken niet genoeg konden bewonderen evenals de vaardigheid van hun schepper en de schoonheid van hun uitvoering.

Na een weldoende wandeling in het uitgebreide park bezochten zij met toortslicht de nieuwe ondergrondse galerijen van de beroemde steengroeve van het kasteel David. Na meerdere uren namen de dankbare bezoekers bij de ingangspoort van het kasteel afscheid van hun vriendelijke en voorkomende gastheer.

Als besluit kan men zeggen dat dit gebouw met zijn fantasierijke architectuur, opgericht in het laatste kwart van de XIXe eeuw, veel respect en erkenning heeft opgeroepen in die tijd, maar dat sindsdien de wereld en vooral onze leefwijze sterk veranderd zijn, zodat men zich vragen moet stellen over de toekomst van dergelijke bouwwerken.

(1) Volgens de nota's van Ridder David, heeft een andere ebenist, Lejeune, ook zijn naam gegraveerd in de lambriseringen.

(2) Ethel werkte zijn eerste fresco af einde augustus 1847, en Kehren het zijne in 1861. Het kasteel Eulenburg werd pas gebouwd van 1874 tot 1877 dus de lambriseringen en het houtsnijwerk moeten ergens opgeslagen geweest zijn gedurende zowat dertig jaar !

Bronnen : De Heer P. J. Felder, geoloog in Cadier en Keer, Nederland. Prentverzameling van de auteur. Mevrouw F. Heusch, Aken.De Heer Victor David in Laurensberg. Herinneringen van Ridder David, 1872-1948. De Heer Pierre Scholl, lid van de archeologische vereniging van Verviers. De gemeentebesturen van Plombières, Jalhay en Dolhain. De stadsarchieven van Verviers.
Auteur: Alfred Jansen.
Vertaling : Hubert Van den Bergh - Lommel.